Philippine en Mosselen

Voor het ontstaan van deze roemruchte combinatie dienen we terug te gaan tot omstreeks 1820. Tot dan toe genoot de mossel nog lang niet de populariteit van latere jaren. De meeste gezinnen van Philippine vonden in de mosselvisserij een karig bestaan. Voornaamste producten waren toen garnalen, haring en platvis. In die tijd probeerden "ongeregelde benden" onder leiding van Waalse of Franse heethoofden door verovering van dit gewest de grenzen van het nieuwe koninkrijk onder Leopold I van Saksen Coburg te verleggen naar de Westerschelde. Ook Philippine werd in staat van verdediging gebracht en een flink garnizoen zo goed en zo kwaad als het ging in oude huizen, noodbarakken en bij burgers ingekwartierd. In 1839 volgde de vrede en het garnizoen verdween. Het werd weer rustig in Philippine.

In die periode kwam Philippine meer en meer tot bloei. Nieuwe mosselvissers kwamen zich hier vestigen en na 1850 zette de groei van de bevolking in snel tempo door. De mosselvisserij werd toen uitgeoefend in de Braakman en andere Zeeuwse wateren. De mosselarij bleef voorlopig maar een pover bestaan bieden. De mosselkruiers zullen mosselvissers geworden zijn, maar mosselbazen, zoals een halve eeuw later, waren het nog lang niet. De prijs der mosselen bedroeg toen 1 frank per ton (de tonnemaat was bovendien anderhalf maal zo groot dan de latere).

Door het sluiten van de Remoorterepolder, in 1851, werd de rechtstreekse vaarweg naar het Kanaal bij Driekwart afgesloten. Dit vergrootte ook de drukte aan de te klein wordende haven. De mosselbedrijvigheid ging hier nu snel vooruit, maar de laatste oorzaak van de vooruitgang van de handel, namelijk de inpoldering in de buurt, zou op langere termijn de oorzaak van de ondergang worden. In de periode van 1918 tot 1945 (nauwelijks driekwart van een eeuw, een mensenleeftijd) werden in de Braakman niet minder dan 15 polders ingedijkt. Het diepe vaarwater vlak bij deze kust: Het Westgat, Het Hondegat, Het Scheer, Het Axelse Gat vulden zich in versneld tempo met slib en zand en steeds moeilijker werd de toegang tot de haven. En dat niet alleen. Ook de mosselbanken, kweek- en verwaterplaatsen, vroeger uitsluitend in de Braakman zelf, werden meer en meer ongeschikt voor de uitzaai. Telkens moesten ze meer naar het Noorden worden verlegd. De Ree aan de Biervlietse en het Paradijs aan de Terneuzense kant waren de laatste wijkplaatsen in de Braakman.

De vraag naar mosselen werd inmiddels steeds groter. Na verbetering van de Posthoornweg kwamen ieder jaar meer honden-, ezelkarren en paardenwagens van heinde en ver hierheen om het vooral door de Fransen, later ook door de Belgen zo begeerde product. Het bekende Aardrijkskundige Woordenboek van v/d Aa (1847) vermeldt al de aanvoer van 16.000 tonnen mosselen per jaar en spreekt over karren uit Valenciennes, ja zelfs uit Parijs. In 1847 werd de mosselvangst uitgeoefend met 2 hengsten, 18 hoogaarzen, benevens een groot aantal roeiboten. Er lagen toen nog veel depot- en verwaterplaatsen langs de dijk van de Philippinepolder. Vooral door het inpolderen van de Angelinapolder (1847) en later de Stellepolder (1866), ging de verzanding van de haven sneller dan men had gedacht en voorzien. Op de duur konden de schepen bij minder hoge vloed de haven niet meer bereiken en omstreeks 1875 zag men de toekomst maar donker in. De levensadem van Philippine werd hoe langer hoe meer bemoeilijkt. In 1884 werd de Vergaertpolder gedicht en de keel van de patient Philippine werd weer iets verder dichgeknepen. Het mag de mosselbazen van Philippine tot eer strekken dat zij van het begin af de noodzakelijkheid van samenwerking hebben gevoeld en ook hebben gerealiseerd. In de nood dier tijden was weer een "Visschervereniging" opgericht, welke in 1896 een brochure van 11 bladzijden het licht gaven, waarin de moeilijke toestand van dat ogenblik ter openbare kennis werd gebracht. Daarin wordt een krachtig pleidooi gevoerd voor een betere haven en een kanaal naar het diepere vaarwater. Met veel vindingrijkheid worden in de brochure de voordelen voor stad en land aangetoond. En zij hebben gewonnen. Philippine was weer eens gered voor korte tijd. Wat een vreugde op die zondag van 17 juni 1900 bij de inwijding van het nieuwe kanaal. Een vlootparade van meer dan 100 bevlagde schepen voer naar de nieuwe kaden aan de voet van het oude kasteel. Jong en oud, van heinde en ver, was op de been om in de vreugde van het dorp te delen. niemand wilde nog denken aan de onzekerheid van de toekomst. Philippine ging een grote toekomst tegemoet.

En inderdaad: na de opening van de nieuwe haven en het kanaal kwam werkelijk de eigenlijke bloeitijd van het mosselbedrijf. De reders maakten nu werkelijk goede zaken en werden heer en meester in Philippine. De eerste tien jaar ontwikkelde de handel zich in snel tempo, 1911 was het topjaar. Toen werden niet minder dan 130.727 balen mosselen op de kaden van Philippine gelost. Het uiterlijk aanzien van het dorp ging zienderogen vooruit. De reders bouwden flinke behuizingen. De eerste wereldoorlog bracht een ernstige terugslag teweeg. De grenzen gingen dicht en zo was men van het voornaamste afzetgebied afgesloten. De handelaars kregen later de gelegenheid met hun schepen in de Belgische steden, die aan het water lagen, hun mosselen aan te voeren. Dat maakte gelukkig nog veel goed.

Toen na de oorlog de handel weer vrij werd, hadden de mosselhandelaars inmiddels de handen ineengeslagen om sterk te staan tegen de concurrentie. De handel herstelde zich krachtig, maar de cijfers van voor de oorlog werden, in Philippine zelf, niet meer gehaald. Door de steeds voortschrijdende verzanding van de vaargeul naar de haven werden de grote schepen naar beter bereikbare havens gedirigeerd (o.a. Terneuzen). Toen in 1940 de tweede wereldoorlog uitbrak, kwam er een nieuwe katastrofe. Voor de voorgenomen invasie in Engeland eisten de Duitsers zo goed als alle schepen uit de grootste categorie op.

In 1950 duikt nog een vijand op: de parasiet, die door de geleerden met de deftige naam mitylicola wordt vereerd. Deze parasiet dwong de telers steeds verder van huis onbesmette gronden voor de mosselen te gaan zoeken, die uiteindelijk in de Waddenzee gevonden werden. Op dat ogenblik is er dan ook maar één handelaar meer in Philippine woonachtig. Een zestal kwekers heeft nog zijn kantoren in Yerseke, waarheen ook al enkelen metterwoon zich gevestigd hebben. Hoogstens een 15-tal personen zijn nog met de mosselteelt gemoeid. De meesten van de schippersbevolking hebben een toevlucht genomen in de kanaalzone-industrie. En dan 30 juni 1952, de Braakman is niet meer. Op die gedenkwaardige dag stonden velen uit Philippine met weemoed te kijken wanneer de laatste caisson in het sluitgat van de grimmige, maar beschermde dijk werd geduwd door de driftige sleepboten. Een mismoedige inwoner plantte onderwijl de vlag halfstok midden in de verstikte haven, die voorheen aan zovelen veiligheid en welstand had bezorgd. Als een kostbaar bezit zal men in elk geval de herinnering bewaren. De oude vissers, die hun laatste levensjaren in berusting slijten in het dorp, dat uiterlijk en innerlijk zo'n diepgaande structuurverandering heeft ondergaan, kunnen slechts met weemoed spreken over de goede dagen van het Westgat en de Ree.

Toch hebben al deze factoren niet kunnen leiden tot het verdwijnen van de naam Philippine van de landkaart. Integendeel, er is heel veel gebeurd dat er toe bijdroeg dat Philippine is wat het geworden is, een dorp waar het goed wonen en toeven is.

Naam en faam van Philippine als "HET" mosselcentrum van Zeeuws-VLaanderen zijn in binnen en buitenland ver verspreid. Acht restaurants van betekenis proberen dag in, dag uit, te voldoen aan de vraag naar mosselen. Hun toepasselijke namen als De Fijnproever, De Oude Haven, De Zwaan, De Mosselbank, Auberge des Moules, Place du Marché, De Schouw en In den Vlaemsche Pot, zijn begrippen geworden.

(bron: Stad en Land van Philippine)